Het lumineuze landschap

Landschappen zijn al eeuwen een grote inspiratiebron voor kunstenaars. De invloed van het weer, de seizoenen, het licht en de sporen die de mens achterlaat, zorgt ervoor dat een landschap telkens weer anders kan zijn. In deze opdracht ga jij je verdiepen in het landschap. Je gaat jouw eigen fascinatie voor landschappen ontdekken om uiteindelijk een eigentijdse en authentieke verbeelding van het landschap te maken.

Gerhard Richter

Er is bijna niets dat Gerhard Richter niet kan met verf. Hij is een hoog gewaardeerd kunstschilder die houdt van verf en er eindeloos mee experimenteert. Ooit begon Richter met het schilderen van hyperrealistische voorstellingen, maar daar bleef het niet bij. Gedurende zijn loopbaan varieert hij moeiteloos in stijl. Het unieke aan Richter is dat hij zelfs in meerdere stijlen tegelijkertijd werkt. Bekijk de werken hiernaast maar eens, het is bijna onvoorstelbaar, maar ze zijn allemaal gemaakt door dezelfde schilder: Gerhard Richter.

De meester aan het werk

In de video hiernaast zie je Gerhard Richter aan het werk. Je ziet dat hij naast een kwast vooral een lange plank gebruikt om mee te schilderen. Richter vindt het fijn om met gereedschap te werken waarover hij wel een beetje, maar geen volledige controle heeft. Hierdoor ontstaan telkens verrassende resultaten.

Fotoalbum 1: Verschillende werken van Gerhard Richter

Video 1: Gerhard Richter aan het werk

Oriënteren en experimenteren

Creëer 6 experimentele minilandschappen. Houd je aan de volgende regels:

  • Het resultaat moet een (al dan niet geabstraheerd) landschap zijn
  • Werk op het formaat van 3 x 9 cm
  • Ga zeer experimenteel te werk met materialen en technieken

Let op: alles mag! Bijv. schilderen met tippex, met nagellak, krassen met ballpoint, het papier in de thee laten drijven, rollen met een verfroller, tamponeren, pointilleren, collagetechnieken, nat in nat schilderen, aquarelleren, tekenen, krassen met een spijker, foto’s of fotokopieën inschilderen, overtrekken, spatten… kortom alles kan en mag mits het uiteindelijke formaat 3 x 9 cm is en het uiteindelijke resultaat een landschap is.

Je hebt voor deze opdracht één week de tijd. Als je ze niet in de les afkrijgt, is de rest huiswerk. Plak ze alle zes op één lege pagina in je dummy.

Hollands licht

Bekijk de documentaire Hollands Licht en beantwoord de onderstaande vragen.

  1. Wat is er volgen jou zo bijzonder aan de 17e eeuwse Nederlandse schilderkunst? Met andere woorden hoe komt het dat deze schilderijen wereldwijd zoveel waardering oogsten?
  2. Geloof jij dat er zoiets bestaat als het Hollandse licht? Waarom geloof je dat?
  3. De schilderijen die in de documentaire voorbij komen zijn wereldberoemd. Stel je voor dat één van die schilderijen gisteren gemaakt zou zijn, zou dat schilderij dan vandaag dezelfde waardering oogsten als de oorspronkelijke Hollandse meesters en hoe komt dat?
  4. Wat ervaar je zelf als je het Nederlandse landschap ervaart? Wat intrigeert jou bij een bepaald landschap? Wat vind je mooi of lelijk, wat stoort je, wat valt je op?

Afbeelding 1: Dvd cover Hollands Licht

Subtractief tekenen

Na het maken van de mini landschappen gaan we nu op een andere manier experimenteren.

Normaal gesproken tekenen we door materiaal toe te voegen. We voegen bijvoorbeeld inkt of houtskool aan papier toe. Voor deze opdracht gaan we subtractief tekenen. Subtractie betekent onttrekken of afnemen. We gaan dus tekenen door materiaal weg te halen. We gaan volgens de onderstaande stappen te werk:

  1. Neem een groot vel schetspapier. Maak deze met behulp van houtskool helemaal zwart. Let op: trek een schort aan en stroop je mouwen op. Je kunt smerig worden.
  2. Gebruik een (kneed)gum, eendewiek, en/of je handen en creëer een landschap door delen weg te nemen. Denk net zoals bij de eerste opdracht experimenteel, het eindresultaat mag dus een geabstraheerd landschap zijn.
  3. In deze laatste stap mag je weer gaan toevoegen, maar uitsluitend met zwart. Denk dus aan inkt, zwarte verf, houtskool, conté, zwart papier en alle andere zwarte materialen die je kunt bedenken.

Kunsthistorisch onderzoek

  1. Zoek twee kunstwerken die je aanspreken die het landschap als onderwerp hebben. Eén van de kunstwerken moet van voor 1940 zijn, het andere kunstwerk van na 1990. Zorg voor een goede print van ongeveer A5 formaat.
  2. Noteer de gegevens van de werken: titel, maker, jaartal, materiaal, afmeting en eventueel waar het hangt.

Eropuit

Je hebt al verschillende experimenten gedaan om landschappen te schilderen, maar de beste manier om het landschap te maken is door het aan den lijve ter ondervinden. Door onderdeel van het landschap te zijn. Te voelen, te ruiken en te ervaren hoe het landschap is en dát op papier zetten. Ook dit experiment hoeft geen letterlijke weergave van het landschap op te leveren. Probeer je ervaring van het landschap op dat moment vast te leggen.

Je kunt hiervoor alle denkbare materialen gebruiken. Het is handig om bijvoorbeeld in je tekenboek te werken, of een plankje mee te nemen.

Let op: het gaat weer om een experiment, het hoeft geen volwaardig werkstuk op te leveren. Meer dan 1 schets/proef is gewenst.

Slecht weer variant

Zoek op internet een landschap dat je fascineert. Probeer de ervaring die je waarschijnlijk zult hebben in dat landschap vast te leggen. Zoals hierboven beschreven.

Het lumineuze landschap

Voordat je begint aan je eindwerkstuk, bekijk je alle werken uit je proces nog eens goed. De opdrachten samen vormden de breedte van je proces: Je hebt op allerlei manieren verschillende landschappen gemaakt. Nu ga je het proces wat meer toespitsen. Dat noemen we de diepte van het proces.

  1. Leg alle werken uit je proces bij elkaar en fotografeer ze. Upload de foto naar Google Classroom.
  2. Bekijk alle werken zeer aandachtig en stel jezelf de volgende vragen: Wat hebben de experimenten gemeen? Waarin verschillen ze van elkaar? Welk experiment is het meest geslaagd? Welke experimenten zijn minder goed? Welke techniek interesseert jou het meest? Wat vond je het leukst om te doen? 
  3. Laat je nu inspireren door je eigen werk. Bedenk hoe jij je in dit onderwerp wilt verdiepen. Wat wordt de voorstelling? Hoe ga je het vormgeven? Welke betekenis (inhoud) zou jij aan je werk mee kunnen/willen geven? Bedenk nu een onderzoeksvraag gerelateerd aan jouw ideeën.
  4. Doe nu een diepteonderzoek. Maak een beeldend werk dat jouw vraag het beste beantwoord. Ga experimenteel te werk en wees zéér productief.