In deze opdracht ontwerp je een monster. Niet zomaar één, maar een rubbingmonster. Om rubbings te kunnen maken, ga je op zoek naar verschillende materialen en oppervlakten. Deze gebruik je als effect in je tekening.
Textuur
Met textuur wordt het voelbare oppervlak bedoeld. De textuur van een object kan bijvoorbeeld glad, ruw, harig of korrelig zijn. Kort gezegd is textuur een voelbare structuur.
Rubbing
Iedereen heeft het wel eens gedaan: Je legt een munt op tafel, met daarover een vel papier. Door zachtjes met een potlood over de munt heen te krassen, verschijnt de afdruk van de munt op het papier. De textuur van de munt wordt dan zichtbaar. Deze techniek noem je rubbing. De naam komt van het Engelse werkwoord ‘to rub’, wat wrijven betekent. Hiernaast zie je een aantal voorbeelden. Een ander woord voor rubbing is frottage.
Texturen zoeken
Ga in het klaslokaal op jacht naar texturen. Maak in de vakjes op het werkblad een aantal originele rubbings. Experimenteer met tekenpotlood, kleurpotlood en wasco. Wat geeft het beste effect?
Rubbingmonster
Je krijgt van je docent een dun A4 papier. Teken hierop heel dun met tekenpotlood een origineel monster. Kleur hierna je monster in met je meest bijzondere rubbings die je bij opdracht 1 hebt gevonden. Voor inspiratie kun je hier kijken:
Als je monster klaar is, knip je hem uit en plak je hem op een gekleurd papier.
Beoordelingscriteria:
- Je hebt een diversiteit aan rubbings gebruikt
- Je ontwerp is origineel en herkenbaar
- Je rubbings zijn duidelijk zichtbaar
- De gebruikte kleuren passen goed bij elkaar
- Het geheel ziet er verzorgd uit